genderzorgnederland.nl

burgerinitiatief — monitor genderzorg

19 september 2026

Van huisarts tot diagnose: wat de cijfers wel en niet zeggen

Van huisarts tot diagnose: wat de cijfers wel en niet zeggen

Twee vragen die telkens terugkomen in het debat over de Nederlandse transgenderzorg zijn eenvoudig gesteld maar lastig te beantwoorden: hoeveel huisartsen verwijzen iemand met een genderhulpvraag door naar een kliniek, en hoeveel van die aanmeldingen leiden daar tot de diagnose genderdysforie? Beide getallen worden regelmatig geciteerd, meestal zonder de voorbehouden die erbij horen. Hieronder staat wat er werkelijk aan cijfers ligt, waar het vandaan komt, en waarom de noemer belangrijker is dan het percentage zelf.

De huisarts: verwijzen is de standaardroute

Cijfers over het aandeel huisartsen dat bij een genderhulpvraag doorverwijst, zijn in de bronnen onder dit artikel niet te vinden. De onderzoeken die wel worden geciteerd, zoals de enquête van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) onder transgender personen, zijn gebaseerd op wat transgender personen zelf rapporteren: patiëntervaringen, geen geregistreerd verwijsgedrag.

Volgens het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde bestaat de rol van de huisarts in de Nederlandse transgenderzorg vaak uit het doorverwijzen naar gespecialiseerde zorg; niet elke patiënt hoeft te worden doorverwezen, en een verwijzing hoeft niet altijd naar een genderkliniek te gaan (bron). Initiatieven als de seksHAG-toolkit en het platform Huisartsenzorg voor Transgender Personen willen de eerste lijn voor een grotere rol toerusten.

Willen helpen is niet hetzelfde als kunnen helpen. In een enquête van het Sociaal en Cultureel Planbureau uit 2012 onder ruim 450 transgender personen zochten 193 respondenten hulp bij de huisarts; 47 procent van hen zei dat de huisarts wilde helpen maar geen informatie had (bron). Het rapport Mijn gender, wiens zorg? (2023) stelt dat het in de reguliere zorg ontbreekt aan actuele kennis en ervaring met genderdiversiteit, en meldt dat mensen met een genderhulpvraag in 2021 en 2022 gemiddeld twee jaar moesten wachten voordat een eventuele indicatie voor medische zorg gesteld kon worden (bron).

De kliniek: wat de cijfers van het Amsterdam UMC laten zien

Voor de tweede vraag zijn er de studies van het Amsterdam UMC. De twintigjaarsstudie over de Amsterdam Cohort of Gender Dysphoria (The Journal of Sexual Medicine, 2023; 1.766 kinderen en jongeren) noemt de afwezigheid van een genderdysforie-diagnose als belangrijkste reden dat jongeren niet met puberteitsremmers begonnen, en concludeert dat een aanzienlijk aantal jongeren niet met medische behandeling begon (bron).

Een Nederlandse studie uit 2026 bekeek alle 1.470 jongeren die tussen 2009 en 2019 werden verwezen: 264 van hen (18 procent) begonnen niet met genderbevestigende medische behandeling. Bij 38,3 procent van die 264 was de reden dat geen genderdysforie werd vastgesteld; bij 27,7 procent waren er wel genderdysfore gevoelens, maar was een diagnostisch traject niet haalbaar. Van de jongeren die niet begonnen, meldde 28,8 procent zich in de volwassenheid opnieuw aan (bron).

Drie kanttekeningen die het getal maken of breken

De noemer. Aanmeldingen is niet hetzelfde als verwijzingen, en verwijzingen is niet hetzelfde als mensen die de intake daadwerkelijk doorlopen. Bij het Amsterdam UMC staan ruim 4.500 volwassenen en 1.000 kinderen op de wachtlijst, en jaarlijks worden gemiddeld 450 volwassenen en 250 kinderen opgeroepen voor een intake (bron). Een percentage dat alleen naar de uitkomst van de diagnostiek kijkt, zegt dus weinig over de mensen die de intake nog niet hebben bereikt.

De classificatie veranderde. DSM-IV kende de genderidentiteitsstoornis, DSM-5 spreekt van genderdysforie, ICD-11 hanteert genderincongruentie. Cijfers uit verschillende periodes zijn daardoor niet een-op-een vergelijkbaar.

De interpretatie is omstreden. Dat een deel van de jongeren geen medische behandeling start, kan worden gelezen als bewijs dat de diagnostiek zorgvuldig selecteert, of als teken dat de aangemelde groep breder is dan de zorg aankan. Uit de cijfers alleen valt dat niet af te leiden.

Wat dit betekent

Wat de bronnen laten zien: de huisarts heeft vaak een verwijsfunctie, de kennis over genderdiversiteit in de eerste lijn is volgens patiënten en het ZonMw-rapport beperkt, en bij het Amsterdam UMC begint een deel van de aangemelde jongeren niet met medische behandeling, in een deel van de gevallen omdat geen genderdysforie wordt vastgesteld. Of de keten goed selecteert, valt uit deze cijfers niet af te leiden.

Bronnen

Mijn gender, wiens zorg? Onderzoek naar de toename in en veranderingen van de zorgvraag (ZonMw, mei 2023)

Huisartsenzorg voor transgender en genderdiverse personen (Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde)

Huisartsenzorg voor Transgender Personen

Toolkit Begeleiding transgender personen in de eerste lijn (seksHAG)

Children and adolescents in the Amsterdam Cohort of Gender Dysphoria: trends in diagnostic- and treatment trajectories during the first 20 years of the Dutch Protocol (J Sex Med, 2023)

Characteristics of Dutch Gender Clinic-Referred Adolescents Who Did Not Pursue Gender-Affirming Medical Treatment

Wiepjes e.a., The Amsterdam Cohort of Gender Dysphoria Study (1972-2015): Trends in Prevalence, Treatment, and Regrets

Verantwoording: de cijfers in dit artikel zijn ontleend aan de genoemde publicaties (voor de studies van het Amsterdam UMC aan de samenvattingen op Europe PMC) en aan het wachttijddocument van het Amsterdam UMC.

Edward Jansen

Edward Jansen

Redactie

Veelgestelde vragen

Hoeveel procent van de huisartsen verwijst iemand met een genderhulpvraag door?

Cijfers daarover zijn niet gevonden; de bekende onderzoeken zijn gebaseerd op ervaringen van transgender personen zelf. Volgens het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde bestaat de rol van de huisarts vaak uit doorverwijzen naar gespecialiseerde zorg.

Hoeveel aanmeldingen bij een genderkliniek krijgen de diagnose genderdysforie?

Een percentage is niet vastgesteld in de bronnen die wij konden controleren. Van 1.470 jongeren die tussen 2009 en 2019 naar de Amsterdamse genderkliniek werden verwezen, begon 18 procent niet met genderbevestigende medische behandeling; bij 38,3 procent van hen was de reden dat geen genderdysforie werd vastgesteld.

Waarom zijn deze percentages lastig te vergelijken?

Omdat de noemer verschilt: aanmeldingen, verwijzingen en afgeronde intakes zijn niet hetzelfde. Daarnaast veranderde de classificatie van DSM-IV via DSM-5 naar ICD-11, waardoor cijfers uit verschillende periodes niet een-op-een vergelijkbaar zijn.